Bewust Gevoeld

Glashelder

Ik begin de dag met mijn hoofd in de wolken. Doordat ik bij het ochtendgloren het dakraam poets. Het voelt hemels. Ik besluit de hele dag niet meer op aarde neer te dalen.


Terwijl ik aan het poetsen ben ruik ik de geur van de ontwakende natuur. Het ruikt wat muf. Door de vochtige dauw die verdampt in de eerste zonnestralen. En het ruikt ook wat aards. Ik bedenk dat dit waarschijnlijk ook mijn geur is na het ontwaken onder mijn bladerdekbed. Gelukkig zit er ook een frisse toets in. Van de groene bladeren die door de wind uit hun slaap worden gewiegd. Ook mijn laatste slaap wordt uit mijn ogen geblazen.

Zo moet de ochtend voor een boer ruiken. Vanachter het raam van zijn tractor. Dat even vuil moet zijn als de ramen van het dakvenster. Woonden we maar op het platteland. Dan kon ik nog boerin worden. En vanuit de wortels van ons huis het gras zien groeien.
In de stad kijk ik op keikoppen vanuit het kelderraam. Ik laat het onkruid tussen de stoeptegels staan. Zo krijg ik toch wat groen te zien. Om de warmte van de zonnestralen te voelen moet ik tot in de kruin van ons huis klauteren. Op de verdiepingen tussen de kelder en de zolder wordt de zon gevangen door de andere huizen in de straat.

Ik las vorig jaar dat je de zolder van je huis kan vergelijken met je hoofd. Een opgeruimde zolder zorgt voor rust in je hoofd. De zolder is ondertussen een rustige werkplek geworden. Een heldere plaats met weinig prikkels. Witte muren en een houten vloer. Het licht dat binnenvalt zorgt voor schakeringen die per seizoen wisselen. Lentegroen, hemelsblauw, het oker van de herfst of oogverblindend winters wit.
Maar mijn hoofd blijft een opbergplaats voor ideeën, overpeinzingen, zorgen, ingevingen en gesprekken. Het blijft er rommelig. Ongeordend. En ik blijf er maar bijproppen.

Nieuwe ideeën die er eigenlijk niet meer in kunnen. Maar waar ik mits wat reorganiseren toch een klein hoekje voor vind. Dromen die ik wil vervullen. Die nemen niet veel plaats in. Ze zijn luchtig en zweven meestal boven de rest uit. Soms bind ik ze vast met een touwtje aan de klink. Zodat ze niet gaan vliegen wanneer ik het deurtje in dat hoofd open maak om er iets uit te halen. Iets wat niet meer van deze tijd is. En ik vastberaden naar het recyclagepark breng. Om te verdwijnen in een grote container. Bedolven onder het afval van een ander. Waardoor ik niet de kans krijg het terug mee te nemen als ik ga twijfelen of het wel weg moest.

Nu en dan zet ik iets klaar voor de kringloopwinkel. Een herinnering die er al jaren staat. Die ik eens afstof en aandachtig bekijk. Een glimlach opwekt of een mijmering. Waardoor ik het toch nog even laat staan.
Of gesprekken. Met mensen die ik nu niet kan zien. Maar waar ik zoveel aan wil vertellen en vragen. Waarbij ik de woorden alfabetisch orden. In de hoop ze zo later snel terug te vinden.

De laatste weken kreeg ik de deur naar mijn hoofd moeilijk dicht. Ik had er nog iets bijgepropt. Een gesprek met mezelf. Over mijn twijfel of ik een opleiding zou starten. En welke dat zou worden gezien ik een ontwerp heb liggen naast mijn dromen. Maar waarvan ik stukken mis en niets terug kan vinden in het archief van mijn leven.
Ik wist dat er geen plaats was voor die overpeinzing. Dat ik eerst nog even moet opruimen. Definitief afscheid moet nemen van onrealistische keuzes. Gestarte projecten afwerken en afvinken. Om zo plaats te maken voor de toekomst.
Iedere dag schoot de deur uit het slot. Iedere dag lukte het me met een klein zetje van mijn heup ze terug te sluiten. Ze bleef uiteindelijk dicht. Ik had er nog een doos herinneringen voor gezet. Zwaar genoeg om de deur gesloten te houden.

Terwijl ik de laatste waterdruppels op het dakraam droog veeg breekt het glas. Met een korte maar krachtige uitbarsting ligt het aan diggelen op de grond. Het glas uit de deur van mijn hoofd. Waardoor de rommel uit het raamkozijn puilt. De glasscherven schade hebben aangericht. En ik plotsklaps met mijn voeten terug op de grond sta. Terwijl ik eerder nog met mijn hoofd in de wolken zat.

Ik poets het dakraam altijd voor dag en dauw. Dat zou ik iedere ochtend ook eens met mezelf moeten doen.
Voor de zon schijnt. Anders krijg ik het venster, net als dat in mijn hoofd, nooit glashelder.

Een reactie achterlaten

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *